Rb. Den Haag 17 juni 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8023
Dublin III/ België / een maatregel van bewaring kan samen gaan met rechtmatig verblijf en een nul dagen vertrektermijn / beroep ongegrond Verweerder heeft de asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Evenmin heeft verweerder aanleiding hoeven zien de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden aan te merken als bijzonder individuele omstandigheden die maken dat de overdacht van de vreemdelingen aan België van een onevenredige hardheid getuigt. Bij voorkomende problemen kan de vreemdeling zich tot de Belgische autoriteiten wenden voor bescherming. Niet is gebleken dat België deze bescherming niet wil of kan bieden. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat het overdrachtsbesluit en het vaststellen van een vertrektermijn van nul dagen op grond van artikel 62c, tweede lid, Vw niet conform de regelgeving is. Daar de vreemdeling op grond van artikel 44a, eerste lid, onder a, Vw juncto artikel 8, aanhef en onder m, Vw in afwachting van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat, rechtmatig verblijf heeft, kan geen vertrektermijn van nuldagen worden gegeven. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de wettelijke bepalingen heeft toegepast. Uit voorgaande wettelijke bepalingen en artikel 62, tweede lid Vw vloeit voort dat rechtmatig verblijf het verkorten van een vertrektermijn tot nul dagen niet in de weg staat. Dit heeft zoals uit de memorie van toelichting (2012-2013, 33 699, nr. 3, p. 13) blijkt, te maken met het arrest van het Hof van Justitie van 27 september 2012, CIMADE (C-179-1). Daarin is bepaald dat de vreemdeling die kan worden overgedragen op grond van de oude Verordening na een afwijzende asielbeschikking rechtmatig verblijf en recht op opvang heeft op grond van richtlijn 2003/9/EG (de Opvangrichtlijn) tot aan de effectieve overdracht. Gedurende de periode na de afwijzende beschikking behoudt de vreemdeling dus recht op verblijf, opvang en voorzieningen. Het rechtmatig verblijf eindigt wanneer de overdracht is gerealiseerd, of wanneer de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten. Met genoemde wettelijke bepalingen is kennelijk beoogd voor Dublinclaimanten legaal verblijf en recht op opvang te creëren. Deze situatie doet zich ten aanzien van verzoeker niet voor. Aan hem is immers een maatregel van bewaring opgelegd (thans niet aan de orde), hetgeen ook uitdrukkelijk tot de mogelijkheden behoort in geval van een significant risico op onderduiken (zie p. 10 van dezelfde memorie van toelichting). Uit de toepasselijke wettelijke bepalingen volgt dat een maatregel van bewaring kan samen gaan met rechtmatig verblijf en een nul dagen vertrektermijn. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft de vertrektermijn kunnen verkorten tot nul dagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl