Rb. Den Haag 23 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6517

Intrekking verblijfsvergunning, procesbelang, inreisverbod, glijdende schaal, 3.86 Vb 2000, openbare orde, ernstige inbreuk op lichamelijke integriteit, 22b WvSr Intrekking verblijfsvergunning onbepaalde tijd, zwaar inreisverbod, openbare orde, toepasselijk recht, ernstige inbreuk op lichamelijke integriteit, procesbelang Gelet op het overgangsrecht in de achtereenvolgende wijzigingen van artikel 3.86 Vb 2000 en gezien de datum van het besluit (18 december 2012) en de misdrijven die eiser op 30 oktober 2011 heeft gepleegd is artikel 3.86 Vb 2000 van toepassing zoals luidend vanaf 1 juli 2012. Met de enkele verwijzing naar het strafblad is niet voldoende onderbouwd dat ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, WvSr is gemaakt. Daarom is de uitzondering, bedoeld in artikel 3.86, 10e lid, Vb 2000, niet op eiser van toepassing. Beroep inreisverbod gegrond. Zowel het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en het zware inreisverbod als de gehanteerde toetsingsmaatstaf (3.86 Vb 2000) zijn identiek. Daarom impliceert gegrondverklaring van het beroep inreisverbod dat ook intrekking verblijfsvergunning niet in stand kan blijven. In dit geval leidt de verplichting om na vernietiging van het inreisverbod afzonderlijk om heroverweging van de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te vragen tot onnodige stapeling van procedures. Daarom toch procesbelang bij het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aangenomen. Ook het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken