Rb. Den Haag 13 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5518

Eiseres heeft een belang in X BV. Eiseres heeft de aandelen in X BV vóór 1 januari 2001 verkregen door een aandelenruil. X BV is in 2007 ontbonden en vereffend. In haar aangifte over 2007 heeft eiseres ter zake van haar belang in X BV een liquidatieverlies aangegeven van € 8.833.787. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder dit liquidatieverlies buiten aanmerking gelaten omdat toepassing van 13i van de Wet Vpb leidt tot een voor de aandelen opgeofferd bedrag van nihil. In geschil is of dit terecht is. De rechtbank overweegt dat artikel 13i niet met terugwerkende kracht in werking is getreden en bij de invoering van dit artikel ook niet is voorzien in overgangsrecht, zodat het geen toepassing kan vinden met betrekking tot een vervreemding van aandelen in het kader van een aandelenfusie die zich vóór 1 januari 2001 heeft voorgedaan. De rechtbank beoordeelt het onderhavige geval daarom aan de hand van artikel 13d van de Wet Vpb zoals dat van kracht was tot 1 januari 2001. De rechtbank oordeelt dat die bepaling slechts toepassing vond als artikel 14b, vijfde lid, van de Wet IB 1964 werd toegepast. Omdat toepassing van die bepaling in dit geval achterwege is gebleven kan artikel 13d van de Wet Vpb evenmin toepassing hebben gevonden. Het gelijk is daarom aan eiseres. Het verzoek van eiseres om integrale vergoeding van de proceskosten wijst de rechtbank op feitelijke gronden af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen