Rb. Den Haag 28 april 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:5203
De rechtbank Den Haag heeft aan de officier van justitie verlof verleend om tapgesprekken en stukken van overtuiging af te geven aan het Internationaal Strafhof. Tegen advocaten van een persoon die bij het Strafhof wordt vervolgd voor o.a. oorlogsmisdrijven is de verdenking gerezen dat zij samen met die persoon getuigen hebben beïnvloed en omgekocht. Het Strafhof heeft bij de Nederlandse autoriteiten rechtshulpverzoeken ingediend om telefoongesprekken van de verdachte advocaten af te luisteren en stukken in beslag te nemen. De rechter-commissaris heeft aan die verzoeken voldaan omdat er sprake is van verdenking van een ernstig misdrijf, waardoor doorbreking van het beroepsgeheim dat advocaten hebben gerechtvaardigd is. De advocaten hebben aangevoerd dat zij in hun functie immuniteit genieten en dat de rechtbank daarom geen verlof mag verlenen. De rechtbank oordeelt dat het internationale vertrouwensbeginsel meebrengt dat de rechtbank er vanuit mag gaan dat het Strafhof zijn eigen regels goed toepast. De rechtbank vindt ook dat zij de bezwaren van de advocaten over het onderzoek door het Strafhof niet mag toetsen, omdat er geen (dreigende) flagrante schending van het EVRM is. De advocaten kunnen hun bezwaren aan het Strafhof voorleggen. De rechtbank is van mening dat de rechter-commissaris steeds een zorgvuldige afweging heeft gemaakt tussen het belang van het beroepsgeheim en het belang van de waarheidsvinding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de officier van justitie de tapgesprekken en stukken van overtuiging mag afgeven aan het Internationaal Strafhof.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 285a Sr
- Artikel 24 Sv
- Artikel 126aa Sv
- Artikel 552a Sv
- Artikel 52 Uw IS
- Artikel 5 EVRM
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 13 EVRM
- Artikel 70 Statuut van Rome
- Artikel 93 Statuut van Rome
- Artikel 97 Statuut van Rome
- Artikel 98 Statuut van Rome
- Artikel 25 Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland
- Artikel 30 Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland