Rb. Den Haag 21 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:4830

Artikel 7, lid 6, uitvoeringsregeling Awir, paragraaf 79.9a Leidraad invordering 2008. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht aan eiseres een persoonlijke betalingsregeling heeft geweigerd omdat er sprake is van opzet of grove schuld bij het ontstaan van de terugvorderingsbeschikking. De rechtbank stelt vast dat op verweerder de bewijslast rust met betrekking tot de vraag of er sprake is van opzet of grove schuld van eiseres bij het ontstaan van de terugvorderingsbeschikking. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eiseres de te veel betaalde kinderopvangtoeslag heeft uitgegeven geen betrekking heeft op het ontstaan van de terugvordering. De rechtbank acht verweerder niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Dit geldt zowel voor het opzetvereiste als voor de grove schuld, waaronder dient te worden verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De nalatigheid die eiseres kan worden verweten, omdat zij er niet in is geslaagd ondanks herhaalde poging de toeslag stop te zetten en omdat zij na een uitvoerige correspondentie, waarin zij gevraagde stukken heeft overgelegd, niet meer op de brief van 4 augustus 2012 heeft gereageerd kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het bestreden besluit komt dan ook vernietiging in aanmerking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen