Rb. Den Haag 15 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:460
De rechtbank overweegt dat blijkens de inhoud van het besluit van 20 juni 1994 tot toekenning van de uitkering aan eiseres (en overigens ook in de berichtgeving aan de toenmalige leidinggevende) de grond voor deze toekenning moet worden gezocht in het feit dat eiseres vóór het einde van de aanstelling wegens ziekte niet in staat was te werken. Niet alleen spreekt het besluit met zoveel woorden over ‘een uitkering overeenkomstig de WAO’, in het besluit wordt expliciet verwezen naar artikel 62 van het BARD (oud) en (het inmiddels vervallen) artikel 32c van het AOB. Laatstgenoemde artikelen boden de ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is, aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging. Nu verweerder overigens niets gesteld heeft aan feiten op basis waarvan kan worden geoordeeld dat ondanks het vorenstaande geen arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, doch – zoals door verweerder betoogd - sprake was van een situatie, waarin de billijkheid vordert dat eiseres schadeloos wordt gesteld, aan eiseres kosten worden vergoed of overigens een geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, houdt de rechtbank het erop dat verweerder heeft bedoeld eiseres een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid toe te kennen en stelt de rechtbank tevens vast dat deze uitkering niet tussentijds is beëindigd. Dat eiseres, anders dan gebruikelijk en voorgeschreven, in de daarop volgende jaren niet is begeleid door de RBB maakt dit niet anders en komt in dit geval voor rekening en risico van verweerder. Vorenstaande betekent dat verweerder ten onrechte aan het ABP heeft meegedeeld dat aan eiseres een ontslaguitkering is toegekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl