Rb. Den Haag 26 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3821
Artikel 9 Vw 2000. Artikelen 20 en 21 van de VWEU. Arrest Zhu en Chen. Arrest Alokpa. Arrest Zambrano. Wijze en volgorde van beoordeling. Uit dit arrest [Alokpa] en de daarin aangehaalde rechtspraak leidt de rechtbank af dat het voor de beoordeling of ieder nuttig effect wordt ontnomen van het recht van verblijf (op grond van artikel 21 van de VWEU) in het gastland van een minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een andere lidstaat, niet zozeer van belang is of, zoals verweerder betoogt, die onderdaan voor dat verblijfsrecht slechts op zijn ouder is aangewezen, maar of die ouder daadwerkelijk voor die onderdaan zorgt. Weliswaar was de feitelijke situatie in de zaken die hebben geleid tot de arresten Zhu en Chen en Alokpa zo dat slechts één ouder de daadwerkelijke zorg had over de betreffende kinderen (onderdanen van een andere lidstaat) en die kinderen zo beschouwd op die ene ouder waren aangewezen. Maar in de zaken die hebben geleid tot het arrest van het Hof van 17 september 2002, C-413/99, inzake Baumbast en R, waarnaar het Hof in het arrest Zhu en Chen heeft verwezen, woonden beide ouders van de betreffende kinderen (al dan niet samen) in het gastland en heeft het Hof die omstandigheid kennelijk niet van belang geacht voor die beoordeling. Anders dan verweerder in het bestreden besluit lijkt aan te nemen is voor evenbedoelde beoordeling evenmin van belang of het kind niet in de feitelijke onmogelijkheid komt te verkeren om zijn rechten die hij ontleent aan de status van EU-burger uit te oefenen. Blijkens het arrest Alokpa (punten 32 en 33) en de daarin aangehaalde rechtspraak is het criterium of het kind niet in de feitelijke onmogelijkheid komt te verkeren om zijn rechten die hij ontleent aan de status van EU-burger uit te oefenen, van belang bij de beoordeling of sprake is van zeer bijzondere situaties in het kader van artikel 20 van het VWEU en komt dus pas aan de orde indien is vastgesteld dat artikel 21 van het VWEU er niet aan de in de weg staat dat het kind een verblijfsrecht in de gastlidstaat wordt geweigerd. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder verklaard dat het verblijfsrecht van het kind niet ter discussie staat. De rechtbank leidt hieruit af dat het kind voldoet aan de in de richtlijn 2004/38 ter zake gestelde voorwaarden. Aangezien voorts vaststaat dat eiseres daadwerkelijk voor het kind zorgt, moet worden geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, sub 2, van de Vw 2000 heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl