Rb. Den Haag 11 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3478

De termijn van artikel 19 van de Awir is voor de onderhavige berekeningsjaren overschreden en eiseres is daarvan ten onrechte niet in kennis gesteld. Zoals blijkt uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2375) heeft de overschrijding van die termijn niet tot gevolg dat een voorschot niet meer mag worden herzien. Niet valt in te zien waarom een dergelijke herziening niet zou mogen plaatsvinden middels de definitieve toekenning. De Awir verbindt immers verder geen consequenties aan deze termijnoverschrijding. Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 19 van de Awir moeten voor de aldaar bedoelde termijnverlenging “vanzelfsprekend gegronde redenen” zijn. De rechtbank leidt daaruit af dat de termijn waarbinnen nog definitief kan worden toegekend niet onbeperkt is. Voor de vraag of in onderhavig geval verweerder nog in redelijkheid definitief heeft kunnen toekennen, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de termijn van artikel 21, tweede lid, van de Awir. Op grond van die bepaling kan verweerder een onjuiste toekenning herzien uiterlijk vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Nu verweerder de tegemoetkomingen heeft toegekend binnen vijf jaar na afloop van het desbetreffende berekeningsjaar en eiseres reeds bij ontvangst van de voorschotbeschikkingen moest weten dat deze onjuist waren, acht de rechtbank de overschrijdingen van de termijn van artikel 19 van de Awir niet onredelijk, onbehoorlijk of anderszins in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke bestuur.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken