Rb. Den Haag 5 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3068

Bij het bestreden besluit zijn de voorschriften voor SO2, NOx en benzeen van de aromatenfabriek van Exxon RAP geactualiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen Exxon RAP en de Esso raffinaderij, ondanks de grote mate van integratie, niet worden gezien als een gezamenlijke inrichting. Gelet daarop en nu Exxon RAP een aromatenfabriek is, waarin niet wordt geraffineerd, kan verweerder niet worden gevolgd in zijn stelling dat de BREF Raffinaderijen hier van toepassing is. Uit de adviezen van de StAB en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat een minder vergaande wijziging in de verhouding HJG/LJG teneinde de SO2-emissie te verminderen mogelijk en aan de orde is, nu de BREF Raffinaderijen hier niet van toepassing is. De rechtbank acht een verhouding HJG/LJG van 20/80 in ieder geval realiseerbaar. De daarmee overeenkomende 4 jaarsgemiddelde SO2-jaarvracht bedraagt maximaal 574 ton. Nu in het bestreden besluit is uitgegaan van een maximumjaarvracht SO2 van 600 ton, kan dit besluit in zoverre niet in stand blijven. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank beweegt verweerder zich door de nieuwe NOx-norm eerst met ingang van 2017 van kracht te laten worden bovendien binnen de grenzen van het Bems, nu het Bems een dergelijke fasering mogelijk maakt. Nu het Bems een normstelling geeft van 340 mg/Nm3, voldoet de door verweerder vastgestelde normstelling daarmee aan BBT.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken