Rb. Den Haag 30 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:2717

Trefwoorden: Visumcode, voorlopige voorziening, visus kort verblijf, vestigingsgevaar, opdracht om visum zo spoedig mogelijk te verstrekken. De voorlopige voorzieningprocedure ziet naar haar aard op het al dan niet treffen van een voorlopige maatregel. Hetgeen verzoeker heeft verzocht ontbeert feitelijk een voorlopig karakter. Een dergelijke voorziening gaat in het algemeen het bestek van de voorlopige voorzieningprocedure te buiten. Dit neemt echter niet weg dat in zeer klemmende situaties een uitzondering op deze regel mogelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in de gegeven omstandigheden van een dergelijke klemmende situatie sprake, zodat moet worden bezien of aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Bij de beoordeling of er een redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe (zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, inzake Koushkaki, C-84/12, www.curia.eu). De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen. Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen dat verweerder ook ter zitting van de voorzieningenrechter geen andere afwijzingsgronden voor het verlenen van het gevraagde visum naar voren heeft gebracht, zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin toewijzen dat verweerder wordt opgedragen het gevraagde visum zo snel mogelijk doch uiterlijk vóór 1 februari 2014 aan verzoeker te verlenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen