Rb. Den Haag 19 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16429

Richtlijn 2004/38. Beëindiging duurzaam verblijfsrecht derdelander. Ernstige verstoring van de openbare orde. Terugkeerrichtlijn. Zwaar inreisverbod. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het gedrag van eiser een ernstige verstoring van de openbare orde en openbare veiligheid vormt. Hiertoe is van belang dat de wetgever de gedraging waaraan eiser zich op 18 november 2009 heeft schuldig gemaakt en ter zake waarvan hij door het gerechtshof bij uitspraak van 24 november 2010 is veroordeeld, heeft bedreigd met een zware straf, namelijk een gevangenisstraf van twaalf jaar. Voorts is hiertoe van belang dat het gerechtshof, gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van eiser, een langdurige gevangenisstraf van zes jaar passend en geboden heeft geacht. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het persoonlijke gedrag van eiser een reële en actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Uit het door eiser aangehaalde arrest van het Hof van 7 juni 2007, inzake Commissie tegen Nederland (C-50/06, www.curia.eu) kan – kort gezegd – worden afgeleid dat ten aanzien van burgers van de Unie en hun familieleden – ook indien zij niet rechtmatig in de lidstaat verblijven – de door richtlijn 2004/38 geboden procedurele en materiële waarborgen in acht moeten worden genomen. Verweerder heeft dat in dit geval ook gedaan. Verweerder heeft met toepassing van evenbedoelde procedurele en materiële waarborgen het (duurzaam) verblijfsrecht van eiser beëindigd. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat na de beëindiging van dat verblijfsrecht en na vastgesteld te hebben dat het niet gaat om een persoon die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt in de zin van artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode, de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is. Aangezien eiser geen burger van de Unie is en geen persoon is die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt in de zin van artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode, moet eiser worden aangemerkt als ‘onderdaan van een derde land’. Aangezien verweerder na de beëindiging van het (duurzaam) verblijfsrecht van eiser heeft bepaald dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had en eiser aldus als onderdaan van een derde land illegaal in Nederland verbleef, valt eiser binnen de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken