Rb. Den Haag 11 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16426

Richtlijn 2004/38. Verblijfsrecht van derdelander die familielid is van burger van de Unie, in lidstaat van nationaliteit van die burger. Terugkeer van burger van de Unie naar eigen lidstaat. Vervolg op het arrest van 12 maart 2014, C 456/12 inzake O en B. Voor zover al moet worden aangenomen dat eiser ten tijde van het verblijf van referente in Oostenrijk een van haar afgeleid verblijfsrecht had uit hoofde van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, moet worden geoordeeld dat eiser dit verblijfsrecht ten tijde van het indienen van onderhavige aanvraag (1 februari 2011) niet meer had, omdat referente Oostenrijk reeds in januari 2010 definitief had verlaten. Om die reden kan eiser zich evenmin beroepen op artikel 21, eerste lid, van het VWEU om in Nederland een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen (vergelijk punt 63 van het hiervoor weergegeven arrest).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen