Rb. Den Haag 25 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16403

Verweerder heeft de verblijfsvergunningen voor (on)bepaalde tijd van [naam 1], [naam 2] en hun gezinsleden op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ingetrokken en inreisverboden voor twee jaar uitgevaardigd onder verwijzing naar het ‘Bugibba’ onderzoek. Door eisers is gelet op de aard en de omvang van de overgelegde stukken in samenhang bezien aannemelijk gemaakt dat het bedrijf [naam bedrijf]. reële bedrijfsactiviteiten heeft verricht en dat zij daadwerkelijk al die tijd in Nederland verbleven. Nu aannemelijk is gemaakt dat daadwerkelijk reële bedrijfsactiviteiten werden verricht en dat eisers in Nederland verbleven, is de enkele verwijzing naar het Bugibba-onderzoek onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat sprake is van een schijnconstructie. Over dit Bugibba-onderzoek heeft verweerder immers niet meer overgelegd dan de eerdergenoemde brief van 16 maart 2012 en twee uittreksels, waaruit zou moeten volgen dat de namen van [naam 1], [naam 2] en de onderneming [naam bedrijf]. in de administratie voorkomen. [naam 1], [naam 2] en de onderneming zijn zelf geen voorwerp van onderzoek geweest in het kader van het Bugibba onderzoek. De omstandigheid dat verweerder ongerijmdheden heeft opgemerkt in de informatie die eisers zelf hebben overgelegd in het kader van verschillende aanvragen is naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van een schijnconstructie. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat de bedrijfsactiviteiten niet overeenkomen met de bedrijfsomschrijving zoals opgegeven bij de Kamer van Koophandel. Ook in samenhang bezien bieden de voornoemde omstandigheden onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van een schijnconstructie, nu eisers met de door hen overgelegde stukken aannemelijk hebben gemaakt dat daadwerkelijk reële bedrijfsactiviteiten zijn uitgevoerd. Beroepen gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen