Rb. Den Haag 5 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13557
Kennelijke verschrijving in vaststellingsovereenkomst, die door beide partijen niet is opgemerkt. Art. 6:248 lid 2 BW. De ‘wederkerigheid’ in de verschrijving in de rentedatum met tien jaren rechtvaardigt een correctie waarbij in de vaststellingsovereenkomst de juiste, overeengekomen, rentedatum wordt ingelezen. Dat partijen een ‘entire agreement clause’ zijn overeengekomen in hun vaststellingsovereenkomst kan daaraan niet afdoen. Ook in een dergelijke situatie geldt de “Haviltex-jurisprudentie” van de Hoge Raad. De rechtbank stelt echter vast dat in het onderhavige geval niet zozeer sprake is van een van de letterlijke tekst “afwijkende partijbedoeling” waarvoor de Haviltex-maatstaf geldt, maar dat er een wederzijdse kennelijke verschrijving in de overeenkomst is opgetekend door partijen. Voor een zodanig uitzonderlijke situatie geeft artikel 6:248 lid 2 BW een bijzondere voorziening, op grond waarvan de rechter een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel buiten toepassing kan laten, voor zover onverkorte toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uit de beschreven gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, volgt evident dat het achterwege laten van een correctie van de onjuiste rentedatum verstrekkende consequenties zou hebben, die door partijen niet zijn beoogd en waarvan moet worden geoordeeld dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl