Rb. Den Haag 15 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10289

Weigering verdere toegang en oplegging en voortzetting vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van getuigen bij het Internationaal Strafhof die een asielaanvraag hebben ingediend in Nederland. Detentie op grond van Zetelverdrag. Geen grenscontrole. Grensbewakingsbelang. Vaste jurisprudentie Afdeling bestuursrechtspraak. Horen voorafgaand aan oplegging vrijheidsontnemende maatregel. Zicht op uitzetting; travel ban Verenigde Naties. Artikel 15 Terugkeerrichtlijn: ontwijken of belemmeren van de verwijderingsprocedure. Niet voldaan aan dit criterium. Voortzetting vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig. Schadevergoeding toegekend. Eisers zijn Nederland op 27 maart 2011 onder verantwoordelijkheid van het Strafhof binnengekomen, uitsluitend met het doel om een getuigenverklaring af te leggen bij het Strafhof. In verband hiermee zijn zij direct na aankomst ingevolge het Zetelverdrag naar de zetel van het Strafhof vervoerd. Eisers zijn daarbij niet aan een grenscontrole onderworpen. De rechtbank beschouwd voormelde situatie aldus dat Nederland als gastland eisers ten behoeve van het afleggen van getuigenverklaringen bij het Strafhof, ingevolge artikel 38, eerste lid, van het Zetelverdrag beperkte toegang - namelijk voor het afleggen van een getuigenverklaring in de zetel van het Strafhof - heeft verleend en ook moest verlenen. Voorts verbleven eisers vanaf hun komst naar Nederland op last van het Strafhof in detentie in de Detention Unit. In deze situatie bestond er voor verweerder op 27 maart 2011 bij de inreis geen noodzaak eisers aan een grenscontrole te onderwerpen en hun reeds op dat moment de verdere toegang tot Nederland te weigeren. De indiening van de asielaanvragen op 12 mei 2011 bracht niet met zich dat eisers door het Strafhof in vrijheid moesten worden gesteld of dat zij moesten worden overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Zolang de detentie van eisers in de Detention Unit voortduurde, behoefde verweerder buiten de kaders van het Zetelverdrag om derhalve geen besluiten te nemen over de verdere toegang van eisers tot Nederland. Op 4 juni 2014 zijn eisers door het Strafhof overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten, waarmee hun detentie bij het Strafhof werd beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie voor verweerder een noodzaak bestond een beslissing te nemen over het al of niet verschaffen van verdere toegang tot Nederland. Op dat moment beschikten zij niet over een vergunning tot verblijf, aangezien verweerder ten gevolge van de uitspraken op de asielberoepen een nieuw besluit moest nemen op de asielaanvragen. De rechtbank is van oordeel dat in deze feitelijke situatie het belang dat is gemoeid met het voorkomen dat een asielzoeker aan wie (nog) geen verblijf op grond van een verblijfsvergunning is toegestaan zich de verdere toegang tot Nederland verschaft, in de zin van feitelijke verdere binnenkomst in het grondgebied (doorgaans aangeduid als het grensbewakings-belang), actueel werd. De rechtbank overweegt dat eisers op 4 juni 2014 niet zijn onderworpen aan een grenscontrole, als bedoeld in de artikel 7, eerste lid, van de Schengengrenscode, nu zij de buitengrens en de transitzone reeds lang waren gepasseerd. Van een grensprocedure als bedoeld in artikel 35 van de Procedure-richtlijn was evenmin sprake, nu de besluiten op de asielaanvragen van eisers niet zijn genomen aan de grens of in de transitzone. Het onderzoek waaraan eisers op 4 juni 2014 zijn onderworpen, had tot doel vast te stellen of eisers voldeden aan de voorwaarden voor verdere toegang. Uit artikel 3 Vw volgt niet dat verdere toegang alleen kan worden geweigerd na een controle aan de buitengrens of in de transitzone. De beslissing om de verdere toegang te weigeren, heeft niet tot gevolg dat de betreffende asielzoeker zijn vrijheid wordt ontnomen. Artikel 5 EVRM is daarop dan ook niet van toepassing. Dat in de praktijk een besluit tot verdere toegangsweigering wordt gevolgd door een besluit waarbij de betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en dat deze maatregel dient om de verdere toegangsweigering feitelijk te effectueren, maakt dit niet anders. Bij het verlenen van toegang aan een asielzoeker is een inhoudelijke toetsing aan de toegangsvoorwaarden van artikel 5 van de Schengengrenscode niet aan de orde. Dit laat echter onverlet dat verweerder bij het nemen van een beslissing over het verschaffen van verdere toegang tot Nederland aan een asielzoeker alsnog aan de in artikel 3, eerste lid, Vw vermelde voorwaarden toetst. Beroepen tegen de verdere toegangsweigering ongegrond. De vrijheidsontnemende maatregelen: eisers zijn voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel niet in de gelegenheid gesteld om door middel van een gehoor feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan verweerder had kunnen besluiten af te zien van het opleggen van de maatregel. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk gehoor wel had behoren plaats te vinden. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de maatregelen van aanvang af onrechtmatig waren. Eisers hebben tijdens de zittingen bij de rechtbank niet alsnog feiten en omstandigheden naar voren gebracht die grondslag bieden voor het oordeel dat verweerder het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel niet had mogen nemen. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat het niet horen eisers de mogelijkheid heeft ontnomen om zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben. Zicht op uitzetting: weliswaar bleef het oordeel van zittingsplaats Amsterdam over het uitzettings-beletsel op grond van artikel 6 EVRM overeind door de uitspraak van 28 mei 2014 van de voorzitter van de Afdeling, maar door die uitspraak was reeds op 4 juni 2014 duidelijk dat uiterlijk in de maand juni 2014 door de Afdeling uitspraak zou worden gedaan op het hoger beroep van eisers in de asielprocedures. De rechtbank is daarom van oordeel dat onder deze omstandigheden ten tijde van de oplegging van de maatregelen geen sprake was van een situatie waarin vast stond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak. Dat aan eiser 2 een travel ban was opgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Wat ook zij van de inhoud van dat verbod, de rechtbank stelt vast dat eiser 2 op 6 juli 2014 door verweerder is uitgezet naar de DRC, zodat moet worden geoordeeld dat deze maatregel niet maakte dat op 4 juni 2014 het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak. De rechtbank is van oordeel dat uit de omstandigheden die verweerder heeft genoemd, niet valt af te leiden dat eisers na 27 juni 2014 hun terugkeer of de verwijderingsprocedure hebben ontweken of belemmerd. Gelet hierop is de voortduring van de aan eisers opgelegde vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 27 juni 2014 tot het moment van opheffing daarvan op 6 juli 2014 onrechtmatig geworden. Beroepen gegrond. Schadevergoeding toegekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken