Rb. Den Haag 12 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10266
Volgens het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C2/6.2.3 Vc, kan een vreemdeling ook met andere documenten dan vliegtickets of boarding passes (indirect) bewijs leveren van zijn afgelegde reisroute. Verzoeker heeft dat (indirecte) bewijs geleverd. Verweerder heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn reisroute en daarom ten onrechte het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Verweerder heeft daarom tevens bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat daarvan een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel is gegrond. De voorzieningenrechter bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ook met toepassing van het beoordelingskader van artikel 31, eerste lid, Vw nog steeds ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker zijn gestelde homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig heeft gemaakt. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder, in het licht van de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gestelde prejudiciële vraag over de wijze van beoordeling van de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid en de door de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie genomen Conclusie, op een met het Handvest of het EVRM strijdige wijze de geloofwaardigheid van de door verzoeker gestelde geaardheid heeft beoordeeld. De omstandigheid dat verzoeker bij zijn inreis niet een benodigd reisvisum heeft getoond, zoals vereist op grond van artikel 4.5, eerste lid, aanhef en onder a, Vb, kan op zich zelf niet dienen ter onderbouwing van het standpunt van verweerder dat een risico bestaat dat verzoeker zich aan het toezicht zal onttrekken. Op grond van artikel 5.1b, eerste lid, onder a, Vb is daarvoor immers tevens vereist dat hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Gesteld noch gebleken is dat die laatste omstandigheid zich heeft voorgedaan. Verweerder heeft ten onrechte de gronden bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, onder a dan wel b, Vb aan zijn standpunt ten grondslag gelegd. Het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, is eveneens gegrond. De rechtbank merkt het verzoek om schadevergoeding van verzoeker aan als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:92 Awb, in samenhang met artikel 8:91 Awb, nu het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen het gesteld schadeveroorzakende besluit, tot het vergoeden van schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, Awb. Nu de vernietiging van het bestreden besluit geen verband houdt met het door verzoeker gesteld onrechtmatige handelen van verweerder, staat de onrechtmatigheid van dat handelen niet vast. Daarom bestaat geen aanleiding verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de door verzoeker gestelde schade. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De uitspraak op rechtspraak.nl