Rb. Den Haag 22 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1007

In de onderhavige zaak is aan een vreemdeling, afkomstig uit Noord-Korea, tegengeworpen dat zij bescherming kan verkrijgen in Zuid-Korea omdat zij daar weliswaar niet eerder heeft verbleven, maar van dat land het staatsburgerschap kan verkrijgen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter toegewezen en het beroep is vanwege de principiële aard van de rechtsvraag verwezen ter behandeling door een meervoudige kamer. De meervoudige kamer is tot het oordeel gekomen dat verweerder artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het VV 2000 aan de afwijzing ten grondslag heeft kunnen leggen in zoverre dat verweerder voldoende gemotiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres het Zuid-Koreaanse burgerschap heeft dan wel zou moeten kunnen verkrijgen en het veiligheidsonderzoek aan de verkrijging hiervan niet in de weg staat. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat ook in redelijkheid van eiseres mag worden verwacht dat zij zich op haar Zuid-Koreaans staatsburgerschap beroept. In dit verband heeft de Rb. met name van belang geacht dat verweerder in dit verband had behoren te onderzoeken hoe aannemelijk de kans is dat de autoriteiten van Noord-Korea op de hoogte raken van de vestiging van eiseres in Zuid-Korea en of in dat geval gevaar dreigt voor de familieleden van eiseres in Noord-Korea. Ook de psychische omstandigheden van eiseres had verweerder dienen te betrekken bij zijn beoordeling of in redelijkheid van eiseres kan worden verwacht dat zij zich op haar staatsburgerschap van Zuid-Korea beroept, hetgeen hij heeft nagelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen