Rb. Den Haag 9 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8211

Regulier, artikel 3.80a, 1e, 2e en 4e lid, Vb 2000, begrip ‘huiselijk geweld’ , B1/4.7.2.1 Vc2000, inburgeringsvereiste, onbillijkheid Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het begrip ‘huiselijk geweld’ in artikel 3.80a, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 enkel betrekking heeft op fysiek geweld en niet ook betrekking kan hebben op psychisch geweld. De bewijslast ligt bij de vreemdeling, die zal moeten aantonen dat de verbreking van de relatie het gevolg is van (psychisch) huiselijk geweld. Met de enkele brief van Careyn Maatschappelijke Dienstverlening van 1 mei 2012 heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat haar relatie is verbroken als gevolg van het door haar gestelde huiselijke geweld. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan niet dient te worden vastgehouden aan het inburgeringsvereiste.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen