Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7897
Ladingen koper bij vervoer ontvreemd. De ladingen koper zijn opgehaald maar niet afgeleverd. De vraag of tussen eiser en gedaagde een sprake is van een expeditie- of vervoersovereenkomst moet o.b.v. de Rome-I verordening naar Nederlands recht worden beoordeeld. In dit geval geen expeditie- maar een vervoersovereenkomst dus is het CMR-verdrag van toepassing. O.g.v. artikel 31 lid 1 aanhef en onder a) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De beslissing in het tussenvonnis in incident dat de rechtbank bevoegd is i.p.v. arbiters - o.g.v. de door gedaagde gestelde toepassing van de FENEX-voorwaarden - is een bindende eindbeslissing. Of de Fenex-voorwaarden in de hoofdzaak voor het overige van toepassing zijn, is niet meer relevant, nu gedaagde alleen op arbitrageclausule een beroep heeft gedaan. De vervoerders in het onderhavige geval zijn geen opvolgend vervoerders in de zin van artikel 34 CMR maar ondervervoerders. Geen sprake van overmacht aan de zijde van gedaagde en wel sprake van opzet, nu gedaagde ook aansprakelijk is voor daden en nalatigheden van andere personen die hij voor het vervoer inschakelt, waaronder zijn ondervervoerder die de lading hoogstwaarschijnlijk heeft gestolen. De volledige door eiser geleden schade wordt toegewezen inclusief de CMR-rente.
De uitspraak op rechtspraak.nl