Rb. Den Haag 15 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7216
Kort geding. Teruggave inboedel, die was meegenomen nadat de voorzieningenrechter verlof had verleend tot het in vuistpand nemen van zaken door de pandnemer op grond van artikel 496 lid 2 Rv, juncto artikel 3:237 lid 3 BW. De bevoegdheid op grond daarvan komt de pandnemer eerst toe indien de pandgever is tekortgeschoten, dan wel dreigt tekort te schieten. Na de (terechte) vernietiging door de echtgenote van de pandgever van het pandrecht op de inboedel en de verplichting die de pandnemer jegens de pandgever op zich had genomen, waarin hij vervolgens zou zijn tekortgeschoten, valt de inboedel buiten het verleende pandrecht. Daarmee had de inboedel niet mogen worden meegenomen aan de hand van het door de voorzieningenrechter verleende verlof. De inboedel moet dus worden teruggegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl