Rb. Den Haag 26 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6358

In voormelde uitspraak van 20 april 2010 heeft de Rb. geoordeeld dat eiser, gelet op het besluit tot ongewenstverklaring, geen belang had bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 16 mei 2007, voor zover dit de afwijzing van eisers asielaanvraag van 3 januari 2001 betrof. De Rb. heeft daartoe onder meer verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2006. De Rb. stelt vast, mede gelet de toelichting van verweerders gemachtigde ter zitting, dat uit het besluit van 24 november 2010 volgt dat de ongewenstverklaring van eiser is opgeheven en het primaire besluit tot ongewenstverklaring is herroepen. Gelet hierop en op de in rechtsoverweging 4.4 genoemde jurisprudentie van de Afdeling, heeft eiser derhalve op 24 november 2010 belang gekregen bij toetsing in rechte van het besluit van 16 mei 2007, voor wat betreft de afwijzing van zijn asielaanvraag. De Rb. leidt uit voormelde uitspraken van de Afdeling voorts af, dat eiser, teneinde deze toetsing mogelijk te maken, verweerder kan verzoeken de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning te heroverwegen, dan wel daartoe een nieuwe aanvraag kan indienen. (…). Uit het hiervoor, onder rechtsoverweging 1, weergegeven verloop van de procedure volgt dat eiser gevolg heeft gegeven aan voormeld verzoek van verweerder en zijn verzoek om heroverweging heeft ingediend conform het volgens verweerder daartoe bestemde aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit de in rechtsoverweging 4.4 weergegeven jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder in het thans bestreden besluit, genomen op de aanvraag van eiser van 15 september 2011 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het besluit van 16 mei 2007 had moeten heroverwegen en in dat kader had moeten beoordelen of eiser op grond van zijn aanvraag van 3 januari 2001 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van art. 29 Vw. Naar het oordeel van de Rb. heeft verweerder met de overweging in het bestreden besluit, dat het relaas dat eiser in de eerdere procedure naar voren heeft gebracht reeds is beoordeeld in het besluit van 16 mei 2007 en dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, het besluit van 16 mei 2007 ten onrechte niet heroverwogen. De omstandigheid dat het besluit van 16 mei 2007 met de uitspraak van 20 april 2010 formeel in rechte onaantastbaar is geworden, doet daar niet aan af, nu de Afdeling in voormelde uitspraken heeft geoordeeld dat bij deze toetsing het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing in de weg staat. Het besluit van 16 mei 2007 is, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, naar het oordeel van de Rb. derhalve materieel gezien wel aantastbaar. Verweerder had daarom moeten beoordelen of eiser op grond van zijn aanvraag van 3 januari 2001 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van art. 29 Vw. De beroepsgrond van eiser slaagt. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen