Rb. Den Haag 1 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3945
De kern van het geschil tussen partijen is derhalve of gedaagde de dieren voor een onredelijk lage prijs heeft verkocht als bedoeld in HR 20 december 1940, NJ 1941, 365 en of gedaagde verplicht is een schadevergoeding te betalen om de werkelijke waarde van de dieren te compenseren. In dat kader dient te worden beoordeeld of de schapen het gen hadden en zo ja, wat de waarde van een schaap met het gen is. Naar het oordeel van voorzieningenrechter ligt het in de rede dat voor de waardering van de in beslaggenomen schapen een (derde) deskundige zal worden ingeschakeld, die bij de waardering tevens rekening kan houden met de waardering van de schapen naar leeftijd en geslacht. In het kader van een te verrichten onderzoek naar de waarde van de schapen kan dan tevens worden bezien welke prijzen er in het kader van een ruiming in dezelfde periode als waar het hier om gaat aan een derde zijn betaald voor schapen met het gen. Voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek is in het kader van een kort geding evenwel geen ruimte. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter het gevorderde voorschot van € 200.000,- afwijzen omdat niet kan worden vastgesteld dat dat bedrag in ieder geval nog is verschuldigd. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het toewijzen van een lager voorschot, te weten een bedrag van € 50.000,-.
De uitspraak op rechtspraak.nl