Rb. Den Haag 31 januari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ0864
Eiseres heeft in beroep betoogd dat thans nog niet vaststaat dat eiseres een valse aangifte heeft gedaan, nu haar strafzaak nog niet is afgerond en op haar verzoek nog getuigen zullen worden gehoord. Verweerder had dan ook niet, aldus eiseres, zonder eiseres te horen, mogen afgaan op de beoordeling door de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Blijkens de overgelegde stukken is eiseres op 24 maart 2010 door de politie Groningen als verdachte gehoord over de door haar gedane eerste aangifte van 12 juni 2009. Dit gegeven was reeds bij verweerder bekend, op het moment dat eiseres bij besluit van 7 september 2010 opnieuw een vergunning onder de beperking “B9” kreeg. Bij besluit van eveneens 7 september 2010 is immers de voorgaande vergunning ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens. Uit het dossier valt echter niet op te maken welke feiten en omstandigheden eiseres aan haar aangifte van 31 augustus 2010 ten grondslag heeft gelegd, nu het proces-verbaal van deze aangifte zich niet in het dossier bevindt. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt welke onjuiste gegevens, verband houdende met de aangifte van 31 augustus 2010, aan de intrekking ten grondslag zijn gelegd. Nu verweerder is afgegaan op informatie van de officier van justitie, zonder te verifiëren welke gegevens aan de vervolging van eiseres, naar aanleiding van haar tweede aangifte, ten grondslag zijn gelegd en zonder eiseres hierover te horen, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen. Evenmin is duidelijk, welke onjuiste verklaringen die eiseres zou hebben afgelegd, verweerder aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Voor zover verweerder heeft betoogd dat het gegeven dat eiseres strafrechtelijk wordt vervolgd voor het doen van valse aangifte aan de intrekking ten grondslag ligt, geldt dat uit het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond van 13 september 2011 slechts blijkt dat eiseres ten aanzien van haar eerste aangifte van juni 2009 strafrechtelijk wordt vervolgd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd in hoeverre de intrekking ziet op onjuiste verklaringen die zij in haar tweede aangifte heeft afgelegd. Gelet daarop kon verweerder niet zonder eiseres nader te horen omtrent haar tweede aangifte en de verklaringen die zij hierbij zou hebben afgelegd, overgaan tot ongegrondverklaring van het bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl