Rb. Den Haag 6 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:8262
Belanghebbende heeft per 1 januari 2011 van haar moedermaatschappij, X bv, een pensioenfonds, een aantal activiteiten overgenomen. Het pensioenvermogen en de pensioenverplichtingen zijn achtergebleven bij X bv. In geschil is of belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, onderdeel b, Wet Vpb 1969 juncto art. 3 van het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971 is vrijgesteld van vennootschapsbelasting (vrijstelling voor pensioenlichamen). Belanghebbende stelt dat de van X bv overgenomen activiteiten nagenoeg uitsluitend zijn aan te merken als zogenoemde ‘kernactiviteiten’ van pensioenuitvoering en dat daarom de vrijstelling op hem van toepassing is. Rechtbank Den Haag oordeelt dat het enkele verrichten van (een of meer) kernactiviteiten van pensioenuitvoering onvoldoende is om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. Volgens de rechtbank is dit namelijk niet aan te merken als “de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding”, waarvan sprake dient te zijn om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. Dat bij belanghebbende een winststreven ontbreekt, maakt dit niet anders, net als de omstandigheid dat de herstructurering van de activiteiten van X bv is ingegeven om te voldoen aan de wens van de Nederlandse Bank om de uitvoeringsactiviteiten het pensioenfonds op enige afstand te zetten van het pensioenvermogen en de pensioenverplichtingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl