Rb. Den Haag 10 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:8256
De rechtbank kan in de reactie van verweerder niet anders lezen dan een weigering om terug te komen van het bestreden besluit van 9 december 2010. Deze weigering wordt ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, ex nunc meegenomen in de huidige procedure. Dit maakt dat de rechtbank alle namens eiser ondernomen pogingen om eiser te laten registreren als Marokkaans staatsburger meeweegt in haar oordeelsvorming. De weigering van de Marokkaanse consul om de aanvraag om inschrijving van eiser door te geleiden naar de procureur des konings van de rechtbank van eerste aanleg van Rabat houdt naar het oordeel van de rechtbank dan ook een schending van het IVRK en de Marokkaanse wet in. Alle omstandigheden in overweging nemende komt de rechtbank, oordelende ex nunc, tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het eiser toe te rekenen is dat hij niet door middel van een schriftelijke verklaring van de Marokkaanse autoriteiten kan aantonen dat hij niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom de pogingen die namens eiser ondernomen zijn niet als genoegzaam bewijs kunnen gelden voor de omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank, zelfs in de hier geboden terughoudende toetsing, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap gegeven van de in dit geval zeer zwaarwegende belangen van eiser.
De uitspraak op rechtspraak.nl