Rb. Den Haag 28 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:7637
Internationale kinderontvoering. Vader verzoekt teruggeleiding van de minderjarige (7 jaar) naar Litouwen. Partijen hebben sinds juli 2007 in Canada gewoond en de moeder heeft zich op 2 november 2011 met de minderjarige in Nederland gevestigd. Medio 2011 is de vader in Litouwen en de moeder in Canada een echtscheidingsprocedure gestart. De vader verzoekt teruggeleiding naar Litouwen. In geschil zijn de gewone verblijfplaats en het gezagsrecht. De rechtbank overweegt dat het verblijf van partijen in Canada, anders dan de vader betoogt, niet tijdelijk of toevallig is geweest en zich daar het sociale en economische centrum van het gezin bevond. De minderjarige had zijn gewone verblijfplaats derhalve in Canada. Betreffende het gezag beroept de vader zich erop dat bij beschikking van 28 april 2011 van de rechtbank te Vilnius (Litouwen) de minderjarige aan hem is toevertrouwd en dat deze beslissing voorrang dient te verkrijgen op alle later door de moeder verkregen uitspraken betreffende het gezag, nog daargelaten dat die uitspraken volgens hem niet voor erkenning vatbaar zijn. De rechtbank overweegt dat de Canadese rechter voornoemde beslissing van de Litouwse rechter ter zijde heeft gesteld en in plaats daarvan 'interim custody' aan de moeder heeft toegekend. Bij latere beschikking wordt 'sole custody' aan de moeder toegekend, inhoudende dat zij bevoegd is, met uitsluiting van de vader, alle beslissingen betreffende de minderjarige te nemen. De door de vader nadien verkregen uitspraken in Litouwen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de Canadese uitspraken doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de rechtmatigheid van de overbrenging op 2 november 2011. Afwijzing van het verzoek tot teruggeleiding.
De uitspraak op rechtspraak.nl