Rb. Den Haag 16 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19701
Het verhalen van verblijfskosten op de vervoersonderneming in verband met de uitzetting van een vreemdeling. Uit paragraaf A2/7.1.7 van de Vc 2000 volgt dat nadat de vreemdeling verwijderbaar is, opnieuw een aanwijzing dient te worden gegeven om de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland. Volgens paragraaf A2/7.1.5 van de Vc 2000 worden hiervoor removal orders gebruikt. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat na de opschorting van een eerder gegeven removal order, op enig moment eerder dan 15 maart 2011 een aanwijzing als bedoeld in paragraaf A2/7.1.7 van de Vc 2000 is gegeven. Eerst met het faxbericht van de KMar van 15 maart 2011 is opnieuw voor beide partijen duidelijk en onbetwist een aanwijzing gegeven om de vreemdeling terug te vervoeren. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit het overzicht van vrije mutaties blijkt dat op 11 oktober 2010 opnieuw een aanwijzing zou zijn gegeven. Nog afgezien van het feit dat het overzicht van vrije mutaties naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing biedt voor verweerders stelling omdat dit overzicht eenzijdig is opgesteld en de strekking ervan door eiseres wordt betwist, is hiermee geen removal order gegeven als bedoeld in paragraaf A2/7.1.5 van de Vc 2000. Verweerder heeft daarmee niet in overeenstemming met zijn eigen beleid een aanwijzing gegeven aan eiseres. Hieruit volgt dat de aansprakelijkheid van eiseres tot 15 maart 2011 was opgeschort. Verweerder heeft daarom ten onrechte verblijfskosten in rekening gebracht voor de periode van 11 oktober 2010 tot 15 maart 2011. In zoverre kan het bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
De uitspraak op rechtspraak.nl