Rb. Den Haag 14 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19438

De zaak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een uit de DRC afkomstige getuige bij het Internationale Strafhof (ICC) die in detentie zit bij het ICC. Verweerder heeft bij de afwijzing van de asielaanvraag de artikelen 45 en 82 van de Vw 2000 (deels) buiten toepassing gelaten omdat eiser nimmer rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen, noch door Nederland kan worden uitgezet, nu hij zich in de rechtsmacht van het ICC bevindt. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat dat de rechtsgevolgen van artikel 45 en 82 van de Vw 2000 de taakuitoefening van het ICC zouden doorkruisen. Al om die reden is het beroep gegrond. De rechtbank beoordeelt in het kader van de finale geschillenbeslechting ook de overige beroepsgronden. Het niet afwachten van het resultaat van het individueel ambtsbericht is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank volgt de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet op alle punten, maar komt toch tot de conclusie dat verweerder terecht dat asielvergunning in verband met artikel 1(F) heeft geweigerd. De rechtbank oordeelt daarbij dat voor misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven niet relevant is of deze hebben plaatsgevonden in het kader van een nationaal of een internationaal conflict. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de lange periode van onrechtmatige detentie en nu hij ook nog altijd niet is aangeklaagd sprake is van een flagrant denial of justice en daarmee van strijd met artikel 6 van het EVRM. Gelet op het feit dat een fair trial in de DRC niet kan worden gegarandeerd, is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de doodstraf niet zal worden uitgevoerd geen stand kan houden. De aanvulling van verweerder in het verweerschrift dat de Congolese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om in samenwerking met het ICC een standaardprocedure op te stellen met specifieke bepalingen over aanvullende waarborgen kan dit gebrek niet helen, nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat dit diplomatieke overleg nog altijd gaande is, zonder voorlopige uitkomst. In zoverre is het bestreden besluit niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het onvoldoende gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken