Rb. Den Haag 6 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19212

Leges, hoogte; Richtlijn 2003/109; art. 3.34g; terugwerkende kracht. Het beroep is gegrond omdat een legesheffing van € 401 voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”, gelet op het arrest van 26 april 2012 (C-508/10, Commissie/Nederland), van € 401, het nuttig effect aan de Richtlijn ontneemt en in strijd is met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Artikel 3.34g, eerste lid, van het VV 2000, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag, dient derhalve buiten toepassing te worden gelaten. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het naar aanleiding van het arrest van 26 april 2012 verlaagde legestarief van € 130 wel een te billijken bedrag is voor de gevraagde verblijfsvergunning. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor finale geschilbeslechting. Zoals volgt uit de tekst van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000, waarin wordt gesproken van ‘door Onze Minister te geven regels’, en de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (zie de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1999-2000, 26732, nr. 7, p. 119), is het de bedoeling geweest van de wetgever om, door middel van delegatie van bevoegdheid, de verplichting tot legesbetaling, inclusief de vaststelling van de hoogte van de legestarieven, nader vorm te geven in de ‘lagere regelgeving’. Steun voor deze opvatting is ook te vinden in het feit dat aan de in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 gegeven opdracht uitvoering is gegeven in artikel 3.34 en verder van het VV 2000 (zie ook de Nota van toelichting op het VV 2000, Stcrt. 15 januari 2001, nr. 10, p. 10) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2011 (JV 2011, 457). Dit maakt dat de door de minister te stellen regels inzake de hoogte van de verschuldigde leges in een wettelijk voorschrift dienen te worden neergelegd. In aanmerking genomen dat de hiervoor Regeling, waarmee het bedrag van € 130 in artikel 3.34g, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen is opgenomen, terugwerkt tot en met 26 april 2012, was de bepaling inzake de aanpassing van de hoogte van de leges niet van kracht ten tijde van de indiening van de aanvraag op 22 december 2010. Uit deze vaststelling volgt dat een toereikende wettelijke grondslag voor een legestarief van € 130 ten tijde van de indiening van eisers aanvraag ontbrak. Verweerder dient, met inachtneming hiervan, een nieuw besluit te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen