Rb. Den Haag 29 november 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:16261

asiel, nareis, art 14 EVRM, art 9 lid 2, Ri 2003/86, arrest Hode-Abdi, onderscheid, objectieve rechtvaardiging. In de praktijk, sinds de inwerkingtreding van de Gezinsherenigingsrichtlijn, wordt bij de toepassing van het nareisbeleid een onderscheid gemaakt, naar gelang de vergunning is verleend op de a-grond dan wel de b-, c- of d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Bij asielvergunningen die op de a-grond zijn verleend stelt verweerder ten aanzien van nareis namelijk niet de eis dat de gezinsband al in het land van herkomst moet hebben bestaan. Dit verschil in behandeling vloeit volgens verweerder voort uit artikel 9, tweede lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn. In het licht van rechtsoverweging 55 van het arrest Hode en Abdi vormt het nakomen van internationale verplichtingen op zichzelf evenwel onvoldoende rechtvaardiging voor het onderscheid in behandeling. Verweerder heeft ter zitting in dit verband verder nog aangevoerd dat gezinsleden die achterblijven na vertrek van een vluchteling doorgaans gevaar lopen en vaak onder erbarmelijke omstandigheden verkeren na het vertrek van een vluchteling, die veelal ook kostwinner is. Nu evenwel niet valt in te zien dat dit niet in gelijke mate kan gelden voor personen aan wie een verblijfsvergunning asiel op de b-, c- of d-grond is verleend, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat voor het in de praktijk gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken