Rb. Den Haag 29 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:15894

Leges; voortgezet verblijf; Gezinsherenigingsrichtlijn In het licht van de bij implementatie gemaakte keuze van de wetgever betreft de verblijfsvergunning met de beperking ‘voortgezet verblijf’, bedoeld in artikel 3.51 onder a, van het Vb 2000, de in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde ‘autonome verblijfstitel’. Hieruit volgt dat deze richtlijn op eiser van toepassing is. Hetgeen de Afdeling bij uitspraak van 9 oktober 2012 (JV 2012, 470) ten aanzien van de hoogte van de leges voor de aanvraag van een mvv voor gezinshereniging heeft overwogen heeft ook betekenis voor de hoogte van de leges voor de aanvraag van de in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde autonome verblijfstitel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 15 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, gelet op punt 15 van de considerans, de integratie van de gezinsleden beoogt te bevorderen en een legesheffing van € 950,- een belemmering kan vormen voor de uitoefening van dit door artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn toegekende recht, waardoor het door de richtlijn nagestreefde doel wordt ondermijnd en het nuttig effect daaraan wordt ontnomen. Het voorgaande brengt mee dat artikel 3.34c, eerste lid, onder a van het VV 2000 in dit geval buiten toepassing had moeten worden gelaten. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen