Rb. Den Haag 6 november 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:15332

Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, afgewezen omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Verweerder heeft de door verzoeker aangevoerde algemene informatie onvoldoende kenbaar betrokken. De voorzieningenrechter stelt verweerder middels een bestuurlijke lus in staat om dit gebrek te herstellen. Verzoeker is volgens zijn verklaringen op 13 januari 2013 Nederland ingereisd. Verweerder heeft verzoeker een rust- en voorbereidingsperiode geboden van twee maanden, in verband met zijn medische klachten, waarna verzoeker op 14 maart 2013 formeel een aanvraag deed voor een verblijfsvergunning asiel. Blijkens een advies van het BMA lijdt verzoeker ondermeer aan zeer hoge bloeddruk. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat aan hem een visum is verleend door de Poolse autoriteiten. Verzoeker voert aan dat verweerder hem met de geboden rust- en voorbereidingsperiode een verblijfstitel heeft verleend in de zin van artikel 2, aanhef en onder j, van de Dublinverordening, zodat niet Polen maar Nederland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Verder voert verzoeker aan dat verweerder met het afnemen van een inhoudelijk nader gehoor en met het opvragen van een BMA-advies de aanvraag inhoudelijk heeft behandeld in de zin van artikel 2, onder e, van de Dublinverordening, waardoor verweerder de verantwoordelijkheid naar zich heeft toegetrokken. De voorzieningenrechter wijst deze beroepsgronden af. Het rechtmatig verblijf van verzoeker tot aan 14 maart 2013 is niet tot stand gekomen middels een machtiging. Verder vloeit uit het afnemen van een nader gehoor en het opvragen van een BMA-advies in het huidige geval niet voort dat verweerder de aanvraag naar zich heeft toegetrokken. Voorts heeft verzoeker aangevoerd, onder verwijzing naar algemene informatie, dat hij gezien zijn medische situatie een risico zal lopen op schending van artikel 3 EVRM bij overdracht aan Polen. Verweerder heeft in deze informatie geen reden gezien om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de door verzoeker aangevoerde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juni 2013 (AWB 13/11314) en de daaraan ten grondslag liggende informatie, en het rapport van het Belgisch Comité voor hulp aan vluchtelingen, van 8 juni 2011, niet afdoende zijn meegewogen bij de beoordeling, in de zin van het EHRM-arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011. Een enkele verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling en deze rechtbank zonder het toe te spitsen op de situatie van verzoeker, is onvoldoende. De voorzieningenrechter stelt verweerder in staat om op grond van artikel 8:51a, tweede lid, Awb binnen vier weken na het verzenden van deze uitspraak tot herstel van dit gebrek over te gaan. Daarnaast wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat bij einduitspraak op het beroep is beslist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken