Rb. Den Haag 4 november 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:14531

Inholland dient aan een studente haar getuigschrift uit te reiken. De afstudeerscriptie van de studente was in juli 2009 al met een voldoende beoordeeld. Kort daarvoor had de studente haar laatste werkstuk ingeleverd, maar dit werkstuk is door Inholland pas eind 2011 (met een voldoende) beoordeeld. Inholland weigert ook daarna het getuigschrift aan de studente uit te reiken omdat uit onderzoeken in 2010 en 2011 door de onderwijsinspectie en de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie is gebleken dat een aanzienlijk deel van het afstudeerwerk van verschillende opleidingen, waaronder de opleiding MEM, niet van hbo-niveau is. Een drietal uitspraken van het College van Beroep voor de Examens (het College), waarin het beroep van de studente telkenmale gegrond werd bevonden en de besluiten van Inholland werden vernietigd, hebben ook niet tot afgifte van het getuigschrift geleid, omdat Inholland zich op het standpunt stelde dat de rechter eerst moest oordelen. De voorzieningenrechter oordeelt in gelijke zin als het College. Een toetsuitslag kan worden herzien, maar een examinator is de bevoegde persoon daartoe en niet gebleken is dat van een herziening door een examinator sprake is geweest. Het standpunt van Inholland dat ook de examencommissie hiertoe bevoegd is, wordt niet gevolgd. De door de studente gevorderde schadevergoeding wordt slechts deels toegewezen en wel voor wat betreft de juridische kosten voor de bij het College gevoerde procedures. De studieschuld van de studente kan mogelijk nog worden omgezet in een gift en niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van inkomensschade en immateriële schade.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen