Rb. Den Haag 2 september 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:13782
Zolang het inreisverbod voortduurt heeft verzoeker geen belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening connex aan zijn bezwaar tegen de intrekking van hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie ook de uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2013:298). Wel heeft verzoeker belang bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende zijn bezwaar tegen het opgelegde inreisverbod omdat hij onbetwist heeft gesteld dat met zijn overplaatsing vanuit de ZZBI de Nederhof (zeer beperkt beveiligde inrichting) naar het Detentiecentrum Alphen aan den Rijn (gesloten inrichting) een dermate wijziging is gekomen in het regiem dat het voor hem praktisch onmogelijk is om tijdens zijn detentie zijn gezinsleven uit te oefenen. Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling (o.a. ECLI:NL:RVS:2010:BO0828) waarin geoordeeld is dat een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waarvan de tenuitvoerlegging gelast is, gelijk is te stellen met een onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in de zin van artikel 3:86 van het Vb , alsmede gelet op de artikelen 14a en 14g van het Wetboek van Strafrecht, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de toepassing van artikel 3.86 Vb de bij arrest van 10 februari 2012 gelaste tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden niet mocht relateren aan het strafbare feit gepleegd op 12 november 2007. Hieruit volgt dat verweerder op grond van de in artikel 3.86, tweede lid, neergelegde norm, bevoegd was de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning in te trekken. Nu het bezwaarschrift (nog) geen onderbouwde gronden tegen het opgelegde inreisverbod bevat betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat aan het aan verzoeker opgelegde inreisverbod onrechtmatigheden kleven. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl