Rb. Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11349
De rechtbank overweegt dat in de wet niet expliciet is bepaald tot welk tijdstip een verdachte schriftelijk onderzoekswensen aan de rechter-commissaris kenbaar kan maken, als bedoeld in artikel 183 lid 1 Sv. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden afgeleid uit het stelsel van de wet en de wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt dat het vooronderzoek van de rechter-commissaris in beginsel eindigt door het uitbrengen van de dagvaarding, behoudens de via artikel 238 lid 2 Sv aan de rechter-commissaris gegeven mogelijkheid om desgewenst reeds aangevangen onderzoekshandelingen op zeer korte termijn af te ronden. De wet biedt de rechter-commissaris geen ruimte om na het uitbrengen van de dagvaarding nieuw onderzoek te verrichten, tenzij de zittingsrechter hem daartoe op grond van artikel 316 Sv opdracht geeft. Dit betekent dat indien verdachte na het uitbrengen van de dagvaarding nog onderzoekswensen heeft, hij deze dient te richten aan de zittingsrechter en niet aan de rechter-commissaris.
De uitspraak op rechtspraak.nl