Rb. Den Haag 6 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:10770

Eisers hebben aangevoerd dat hun belangen de oplegging van een maatregel in de weg staan. Eisers verbleven in Leersum. De vader is onder behandeling van het RIAGG, de moeder is aldaar opgenomen bij GGZ en zoon heeft een ontwikkelingsachterstand waarvoor hij is opgenomen in een dagverblijf. De overige twee kinderen werden ten tijde van het opleggen van de maatregel in beslag genomen door een stage respectievelijk eindexamen. Daarbij komt dat het vervoer van hun zoon vanuit de gezinslocatie Amersfoort naar het medisch dagverblijf niet geregeld kan worden. Rechtbank: geen enkele indicatie in het dossier dat opvang in Leersum was beëindigd. Daarbij is van belang dat die opvang al geruime tijd werd geboden. Bij de belangenafweging dient daarom de feitelijke situatie in Leersum te worden genomen. Voorts dienen de bij de voortduring van die situatie bestaande belangen, in het bijzonder verwoord in de adviezen van Riagg en Nidos, te worden betrokken. Uit de stukken noch uit verweerders toelichting is gebleken dat verweerder voorafgaand aan de maatregel een dergelijke belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft daarom in redelijkheid de maatregel niet aan eisers kunnen opleggen. Maatregel is van meet af aan onrechtmatig. Beroep gegrond. Redelijk een immateriële schadevergoeding toe te kennen van 35 euro per persoon per dag dat zij de maatregel hebben ondergaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen