Rb. Breda 25 mei 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1980
Schorsing van besluiten tot verstrekken van inlichtingen op basis van de Wib aan Belgische autoriteiten. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat verweerder gehouden is om indien aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, van de Wib is voldaan, over te gaan tot verstrekking van de gegevens aan de verzoekende bevoegde autoriteit. Een belangenafweging behoeft dan niet plaats te vinden. Dit is slechts anders wanneer een of meer weigeringsgronden van artikel 13 van de Wib van toepassing is. Verweerder dient dan ook te onderzoeken of er sprake is van een van de weigeringsgronden van artikel 13 van de Wib, zeker nu verzoekers een beroep doen op drie, aan artikel 13 van de Wib ontleende, weigeringsgronden, te weten het heffingsbelang, het wederkerigheidsbeginsel en het uitputtingsbeginsel. Beroepsgronden ten aanzien van het heffingsbelang (artikel 13, eerste lid, van de Wib) en wederkerigheidbeginsel (artikel 13, tweede lid, onder d, Wib) slagen niet. Beroepsgrond ten aanzien van het uitputtingsbeginsel (artikel 13, tweede lid, onder c, Wib) slaagt. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van het uitputtingsbeginsel het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien aannemelijk is dat de Belgische autoriteiten niet eerst in België de ter beschikking staande gebruikelijke middelen tot het verkrijgen van informatie hebben aangewend. De stelling van verweerder dat het enkele feit dat de Belgische autoriteiten een verzoek hebben gedaan betekent dat aan het uitputtingsbeginsel is voldaan, gaat voorbij aan het systeem van de Wib. Zou verweerders opvatting juist zijn, dan moet uit het doen van een inlichtingenverzoek al worden aangenomen dat aan het uitputtingsbeginsel is voldaan en dat zou de weigeringsgrond in artikel 13, tweede lid onder c van de Wib overbodig maken. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 22 juni 1993, LJN: AQ0776 stelt de voorzieningenrechter vast dat uit artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wib niet blijkt dat op verweerder de bewijsplicht rust om aan te tonen dat de Belgische autoriteiten reeds de gebruikelijke methoden hebben aangewend de gevraagde inlichtingen te achterhalen. Aan de strekking van de Wib, te weten het mogelijk maken van de onderlinge uitwisseling van fiscale inlichtingen tussen Staten die zich daartoe wederzijds hebben verplicht, zou in ernstige mate afbreuk worden gedaan, indien de Staat waaraan een verzoek om inlichtingen wordt gericht niet zou mogen afgaan op de mededeling van de verzoekende Staat dat de gevraagde informatie in eigen land niet verkrijgbaar is. Dit vergt echter wel dat België een dergelijke verklaring heeft afgegeven. Hier is niet gebleken dat de Belgische autoriteiten een dergelijke mededeling hebben gedaan. Uit het inlichtingenverzoek kan niet worden afgeleid dat de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van inlichtingen in België zijn aangewend. De enkele verwijzing naar artikel 2 van de Bijstandsrichtlijn acht de voorzieningenrechter, gelet op de tweede volzin van het eerste lid van die bepaling, onvoldoende. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat niet duidelijk is of aan het uitputtingsbeginsel is voldaan. De verzoeken om voorlopige voorziening worden toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl