Rb. Breda 31 mei 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8989
Vergunning voor het vissen van mosselzaad met een zogeheten mosselzaadinvanginstallatie (MZI) voor de periode van 13 januari 2010 t/m 31 december 2011 (met mogelijke verlenging tot uiterlijk 1 januari 2014). Eiseres sub 2 heeft betoogd dat zij samen met [naam B.V.] B.V. een pionier van het eerste uur is, aan wie nog tot in 2008 is toegezegd dat zij haar experimenteerlocatie mag behouden. Volgens eiseres sub 2 dient zij op gelijke wijze als [naam B.V.] B.V. behandeld te worden. Voorts heeft zij aangevoerd dat het volledig beëindigen van de vergunning (in 2014) een inbreuk is op het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 1 van het eerste protocol EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank reikt het procesbelang van eiseressen niet zover dat thans ook een eventuele vergunning voor de periode na 1 januari 2014 ter beoordeling kan staan omdat per 1 januari 2014 de situatie verandert. Na die datum zullen alle beschikbare MZI-locaties herverdeeld worden onder de traditionele mosselkwekers. Aanvragen om vergunning voor de periode na 1 januari 2014 zullen te zijner tijd getoetst moeten worden aan de dan geldende regelgeving. Bezwaren van aanvragers tegen de na 1 januari 2014 vergunde (grootte van) locaties kunnen pas tegen de desbetreffende vergunningen worden ingebracht. Dit betekent dat het beroep van eiseres sub 2 op artikel 1 van het eerste protocol EVRM reeds daarom niet kan slagen en dat haar stelling dat zij qua vergunningverlening gelijkgesteld moet worden met [naam B.V.] B.V., evenals de betwisting van die stelling door eiseressen sub 1, thans niet aan de orde kan komen. De uitzonderingspositie van [naam B.V.] B.V. geldt niet voor de onderhavige periode van vier jaar, zodat van de door eiseres sub 2 gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel - wat daar verder ook van zij - geen sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl