Rb. Breda 2 mei 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW4484
De overeenkomst tussen partijen dient naar het oordeel van de kantonrechter te worden gekwalificeerd als een krediettransactie als bedoeld in artikel 7:57 BW waarop ex artikel 2 WCK de artikelen 34 tot en met 36 WCK van toepassing zijn zodat de bepalingen omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding gelden. Onder de kredietvergoeding vallen alle beloningen en vergoedingen die de kredietgever bedingt en in rekening brengt, derhalve ook de door Betaaldag bedongen vergoeding van € 32,30. Deze bedraagt ruim 19 % van het uitgeleende bedrag van € 170,00 op 14 dagen nu de vordering blijkens de overeenkomst binnen 14 dagen na totstandkoming daarvan opeisbaar was. Gelet op het bepaalde in artikel 35 WCK in samenhang bezien met de artikelen 1 en 4 van het Besluit kredietvergoeding, bedraagt het jaarlijks toegestane kredietvergoedingspercentage sinds 1 juli 2011 16 %. Dit betekent dat de door Betaaldag gevorderde vergoeding omgerekend naar een percentage op jaarbasis het ten hoogste toegestane kredietvergoedingspercentage extreem overschrijdt en daarmee op de voet van artikel 36 WCK verboden is. De door Betaaldag gevorderde vergoeding van € 32,20 is dan ook niet toewijsbaar. Enkel de hoofdsom van € 170,00 wordt toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding de verboden kredietvergoeding te converteren in een volgens de WCK geldige kredietvergoeding nu de aard van de WCK regeling, te weten bescherming van de consument, zich daartegen verzet.
De uitspraak op rechtspraak.nl