Rb. Breda 25 januari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV1915
De rechtbank overweegt ambtshalve dat verweerder de bezwaren van eisers ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Die bezwaren zijn immers – anders dan verweerder blijkbaar veronderstelt – alleen gericht tegen de verleningsbeschikkingen en de voorschotbeschikkingen, en niet ook tegen de wet van 4 februari 2010 [Stb. 2010, 78; red.]. De kritiek op die wet kan namelijk slechts worden aangemerkt als een argument ter onderbouwing van het betoog dat de verlenings- en voorschotbeschikkingen onrechtmatig zijn. De begrotingswet is een wet als bedoeld in artikel 120 van de Grondwet. In verband hiermee mag de rechtbank de begrotingswet niet toetsen aan algemeen verbindende voorschriften en evenmin aan algemene rechtsbeginselen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in het eerste en tweede lid van artikel 9 van het Handvest neergelegde normen niet zodanig gepreciseerd, dat deze kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Verder wijst de rechtbank op hetgeen in de toelichtende nota van 7 juni 1988 (Handelingen II 1987-1988, 20 586, nummer 1, bladzijde 7) over artikel 9 van het Handvest is opgemerkt. Daaruit kan worden afgeleid dat het eerste lid alleen ziet op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds en niet ook op specifieke uitkeringen ter uitvoering van medebewindstaken zoals verlening van bijstandsuitkeringen. Verder is uitdrukkelijk gesteld dat specifieke uitkeringen aan gemeentebesturen niet per definitie kostendekkend hoeven te zijn, onder verwijzing naar de manier waarop het Rijk kosten voor bijstandsverlening aan gemeentebesturen vergoedt.
De uitspraak op rechtspraak.nl