Rb. Breda 15 december 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU8457

Verdachte is veroordeeld voor bezit van MDMA en voorbereidingshandelingen. Het verweer van de raadsman met betrekking tot de onrechtmatigheid van de inzet van detectieapparatuur wordt verworpen. De plaatsbepalingsapparatuur was gehecht aan gasflessen en is getraceerd via de inzet van detectieapparatuur. Hiermee is geen inbreuk gemaakt op een grondwettelijk of verdragsrechtelijk beschermd grondrecht van verdachte als persoon. Er is voorts geen sprake van stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv, zodat een bevel van de officier van justitie niet was vereist. De inzet mocht worden gebaseerd op artikel 2 van de Politiewet. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat er, met het achterwege laten van het opmaken van een proces-verbaal over de inzet, geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De wet verbindt geen gevolgen aan de niet-naleving van artikel 152 Sv en bovendien is het verzuim hersteld door middel van een aanvullend proces-verbaal en de verklaring van een verbalisant bij de rechter-commissaris. Tevens overweging dat er geen sprake is van termijnoverschrijding, terwijl wel meer dan twee jaar zijn verstreken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen