Rb. Breda 23 november 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5696

Trefwoorden: Artikel 10 auteurswet/werk; artikel 6:162 BW/slaafse nabootsing, artikel 2.19. en 2.20. BVIE/merkhouder, artikel 1019h Rv/proceskosten i.e. Samenvatting: Het werkbegrip van de Auteurswet vindt zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter van het gemaakte werk enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Daarvan is sprake in geval van tekeningen en modellen die ten behoeve van de ontwikkeling van een voor het spoorwegnet geschikte verreiker die roterende bewegingen kan maken. De persoonlijke invulling van de maker stond daarbij niet voorop. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad over het onderwerp “slaafse nabootsing” ligt ten grondslag dat het aan een ieder moet vrijstaan om aan zijn industriële producten een zo groot mogelijke deugdelijkheid en bruikbaarheid te geven, zodat het - tenzij door een ander aan wetten op het terrein van de intellectuele eigendom te ontlenen rechten daaraan in de weg staan - niet verboden is om te dien einde, ten eigen voordele en mogelijk tot nadeel van een concurrent, van in diens producten geopenbaarde resultaten van inspanning, inzicht of kennis gebruik te maken, zelfs wanneer enkel tengevolge van dat gebruik maken tussen het eigen product en dat van de concurrent bij het publiek verwarring mocht ontstaan. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten is van onrechtmatig handelen sprake indien de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door de gelijkenis van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. Voormelde verplichting tot het betrachten van zorgvuldigheid strekt er toe onnódige verwarring bij de afnemers van een product te voorkomen. Het antwoord op de vraag of verwarring onnodig is, wordt bepaald door te beoordelen wat van de producent redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te vergen is om van het product van zijn concurrent onderscheidende elementen aan te brengen en vervolgens te bezien of daaraan is voldaan. Stelplicht en bewijslast dat een producent in de nakoming van deze verplichting tekort is geschoten rusten op de partij die claimt dat van “slaafse nabootsing” sprake is. Bij "technische" producten als de onderhavige dient een ondernemer niet op grond van artikel 6:162 BW een monopolie te kunnen opeisen voor bepaalde elementen welke niet uitsluitend het uiterlijk van het product betreffen, ook al is het eventueel mogelijk andere maatvoeringen te maken die even deugdelijk en bruikbaar zijn als die waarvoor zo'n monopolie wordt gewenst. Het behoort de concurrentie namelijk vrij te staan de desbetreffende techniek, die niet is geoctrooieerd, in volle omvang toe te passen en te leveren aan afnemers. Ten aanzien van de doorvoering van technische wensen van klanten geldt nog het volgende. Waar de bruikbaarheid van een technisch product voor een belangrijk deel wordt bepaald door de wensen en behoeften van degenen voor wie het bestemd is, is nabootsing van het product van een ander, voor zover zij nodig is om tegemoet te komen aan bij een deel van de afnemers bestaande wensen ten aanzien van het uiterlijk of eigenschappen van het product - daaronder begrepen de wensen die verband houden met de behoefte aan standaardisatie (…) - op zichzelf genomen niet onrechtmatig jegens de fabrikant van het nagebootste product, mits de nabootsing niet in strijd komt met enig wetsvoorschrift, zulks ook al zou die nabootsing verwarring omtrent de herkomst van het product kunnen wekken. Artikel 2.19., lid 1 BVIE bepaalt dat alleen de merkhouder in rechte bescherming kan inroepen tegen gebruik van een teken. Artikel 2.20., lid 1 BVIE bepaalt dat de houder van een merk het uitsluitend recht heeft het gebruik van een teken te verbieden. Waar een derde, en niet eiseres, de merknaam heeft ingeschreven is zij die derde merkhouder. Alleen zij kan gelet op voormelde artikelen een vordering instellen tot een verbod op het gebruik van het merkteken. Eiseres behoort in deze vorderingen dan ook, gelet op artikel 2.19., lid 2 BVIE, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Artikel 1019h Rv bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van de in het gelijk gestelde partij wordt veroordeeld. Gelet op de door de winnende partij zelf gestelde voorwaarden is een forfaitaire proceskostenvergoeding aan de orde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen