Rb. Breda 24 augustus 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU1866
Belanghebbende heeft aanvankelijk geen bezwaar gemaakt tegen de gecombineerde gemeentelijke heffingen maar slechts tegen de aanslag onroerende-zaakbelastingen en de daarmee gerelateerde WOZ-beschikking, die niet samenhangen met de aanslagen afvalstoffen- en rioolheffingen. Deze laatstgenoemde heffingen worden op andere gronden opgelegd dan onroerende-zaakbelastingen. Er kan derhalve niet worden gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in art 24a, eerste lid, van de AWR, dan wel als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ. Nu belanghebbende eerst buiten de bezwaartermijn specifiek bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen afvalstoffen- en rioolheffingen, en overigens geen valide gronden met betrekking tot de termijnoverschrijding heeft aangevoerd, is het bezwaar tegen de aanslagen afvalstoffen- en rioolheffingen niet tijdig ingediend en is het terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl