Rb. Breda 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BT8682

Vernietigde besluiten overheid gericht aan holdingvennootschap; onrechtmatige daad; holding- en dochtervennootschap; schade en causaal verband. Onjuist is het standpunt dat schade die de dochtermaatschappij lijdt (lagere exploitatieresultaten) is aan te merken als schade die de holding lijdt omdat deze schade in een geconsolideerde jaarrekening ten laste van de holding tot uitdrukking komt. Consolidatie houdt in dat een groep vennootschappen bedrijfseconomisch wordt gezien als een eenheid als het gaat om de jaarrekening. Alle juridische scheidslijnen tussen de vennootschappen worden weggedacht. In de onderhavige zaak waar een juridische beoordeling aan de orde is gelden de juridische scheidslijnen tussen de diverse vennootschappen, rechtspersonen, onverkort. Iedere vennootschap is zelfstandig drager van rechten en verplichtingen en heeft een eigen, van andere (rechts)personen afgescheiden vermogen. Een vennootschap heeft slechts een recht op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad indien - in dit geval - de gemeente jegens die vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld en overigens aan de eisen van artikel 6:162 en 6:163 BW is voldaan. Toerekening van schade die door de ene vennootschap is geleden aan de andere vennootschap op bedrijfseconomische gronden is niet aan de orde. Daarvoor ontbreekt een rechtsgrond. De rechtbank verwerpt het verweer van de gemeente dat hier sprake is van afgeleide schade in de zin van de jurisprudentie van de Hoge Raad, onder andere ABP-Poot, NJ 1995/288. De holding stelt immers een schadevordering tegen de gemeente in, die direct tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld en naar haar mening daardoor schade heeft veroorzaakt. Zij baseert haar schadevordering dus niet op een onrechtmatig handelen van een derde jegens een ander. Daardoor mist toepassing de door de Hoge Raad in onder meer voormeld arrest ontwikkelde regel die een vordering tot vergoeding van afgeleide schade in beginsel niet toelaat. Zonder concreet beoogde verkooptransactie levert een gestelde lagere commerciële waarde van aandelen geen vermogensschade op. Zou er een moment komen waarop de holding haar aandelen in de dochtermaatschappij zou willen vervreemden, dan geldt dat slechts de commerciële waarde van de aandelen op dat moment van verkoop relevant is. Deze waarde of - zo de holding stelt - verminderde waarde, is thans onbepaalbaar. Zij hangt af van de wijze waarop de dochtermaatschappij in de toekomst rendeert, van de al dan niet tussentijdse winstuitkeringen aan de holding indien winst wordt gemaakt en van de berekeningsmethode waarmee de waarde van de aandelen dan wordt berekend. Gelet op deze vele onzekere factoren kan thans niet worden vastgesteld dat de holding op dit punt schade zal lijden die het gevolg is van de vernietigde of herroepen besluiten. Schade in verband met een schadevergoedingsplicht van de holding jegens de dochtermaatschappij op grond van wanprestatie ter zake van de huurovereenkomst tussen partijen is niet aan de orde. Immers de gemeente is slechts gehouden die schade aan de holding te vergoeden waarvan de holding rechtens gehouden is deze jegens de dochtermaatschappij te vergoeden en zij, voor zover dan een schadevergoedingsplicht aan de orde is, deze schade daadwerkelijk voor haar rekening heeft genomen. Beide situaties doen zich hier niet voor. Gelet op de exoneratieclausule (vergoeding van bedrijfsschade is uitgesloten) is de holding rechtens niet gehouden schade te vergoeden en zij heeft ook geen enkele schade voor haar rekening genomen. Dit leidt tot de slotsom dat deze schadepost niet aan de orde is. De holding heeft nog gesteld dat, indien de vordering betreffende de waarde van de aandelen wordt afgewezen, zij gederfde winst als schade vordert. Of en zo ja over welk jaar de holding recht zou hebben op een winstuitkering is afhankelijk van het antwoord op de vraag of aan de liquiditeitstoets van artikel 2:216, lid 2 BW wordt voldaan. Dat artikel bepaalt dat de vennootschap aan de aandeelhouder een uitkering uit de daarvoor vatbare winst kan doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de wettelijke en statutaire reserves. Of en zo ja wanneer aan deze uitkeringsvoorwaarde is voldaan heeft de holding niet gesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen