Rb. Breda 28 maart 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ1324
Verzoek ex artikel 3:251 lid 1 BW. De voorzieningenrechter heeft – kort samengevat – geoordeeld dat het verzoek van de bank moet worden afgewezen, nu niet aannemelijk is geworden dat de voorgestelde wijze van onderhandse verkoop meer zal opleveren dan een openbare verkoop ex artikel 3:250 BW en er ook overigens bezwaren aan kleven. Voorts is in deze procedure de vraag aan de orde gekomen of de bank zich bij uitwinning van haar recht van pand tevens kan verhalen op de BTW over gerealiseerde verkoopopbrengsten. De voorzieningenrechter heeft in dit kader overwogen dat deze vraag alsook de vraag of, bij onderhandse verkoop, de pandhouder of de boedel te zijner tijd aangeslagen wordt voor de BTW component op dit moment, in deze procedure, niet met voldoende zekerheid kan worden beantwoord. De beantwoording van die vraag is immers afhankelijk van het toekomstige oordeel van de belastinginspecteur op dit punt.
De uitspraak op rechtspraak.nl