Rb. Breda 28 juli 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3308
Verhuurder vordert hoofdelijke veroordeling van twee contractuele ex-huurders tot betaling van achterstallige huurpenningen. Huurder 2 heeft slechts 6 dagen in het gehuurde verbleven en heeft door toedoen van huurder 1 de huurovereenkomst opgezegd, met vermelding van de reden. Huurder 1 heeft erkend dat hij de woning samen met huurder 2 huurde omdat zijn inkomen niet toereikend was om de huurpenningen te kunnen betalen, waardoor ook hij, enkele maanden na het vertrek (op zijn initiatief) van huurder 2, de huurovereenkomst heeft opgezegd. Verhuurder heeft niet op de opzegging van huurder 2 gereageerd. Van een grote professionele verhuurder mocht worden gevergd dat zijzelf de instemming van huurder 1 met de opzegging van huurder 2 had verzocht, nu deze op ondubbelzinnige wijze kenbaar had gemaakt dat zij door toedoen van huurder 1 het gehuurde definitief had verlaten en daarbij had meegedeeld dat zij van huurder 1 niets kon afdwingen. Nu de verhuurder niets heeft ondernomen mocht huurder 2 er gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar opzegging was geaccepteerd en zij niet langer aan haar aansprakelijkheid voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst zou worden gehouden. Gelet op haar stilzitten heeft verhuurder haar rechten uit de huurovereenkomst ten aanzien van huurder 2 verwerkt. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat verhuurder zich beroept op de bepaling in de algemene voorwaarden dat contractuele medehuurder slechts samen met de andere huurder de huurovereenkomst door opzegging kan beëindigen, en thans nog nakoming van de zijde van huurder 2 vordert. Vordering t.a.v. huurder 2 afgewezen. Gehele vordering toegewezen ten aanzien van huurder 1, veroordeling van verhuurder in de proceskosten van huurder 2.