Rb. Breda 10 augustus 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2293
Van het overlijden van de uitkeringsgerechtigde op 4 juli 2002 is geen melding gemaakt bij UWV. Tot 1 maart 2004 heeft UWV de Waz-uitkering doorbetaald. UWV heeft de onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 24.698,87 van eiser (de zoon) teruggevorderd. De rechtbank overweegt dat uit de systematiek van de wet en de wetsgeschiedenis voortvloeit dat er op de dag na het overlijden van de betrokkene geen recht meer bestaat op uitkering. De nadien als Waz-uitkering betaalde termijnen mogen voor de toepassing van artikel 63 Waz als uitkering worden aangemerkt. Op basis van de stukken, in het bijzonder de verklaring van erfrecht van 30 oktober 2002, en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiser enig erfgenaam is en de nalatenschap van zijn moeder heeft aanvaard. Er kan dan ook van eiser worden teruggevorderd. Eisers verklaring over de rol die zijn oom bij de financiële afwikkeling van de dood van zijn ouders heeft gespeeld, is, wat daar ook van zij, bij de beoordeling van de onderhavige terugvordering niet relevant. Er is tenslotte geen sprake van (gedeeltelijke) verjaring of een dringende reden.
De uitspraak op rechtspraak.nl