Rb. Breda 22 juli 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ4731

Belanghebbende heeft een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een distributiecentrum met kantoren. Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag wordt een bedrag aan leges geheven van € 351.002. Vaststaat dat de bepaling in de verordening waarop de heffing is gebaseerd een fout bevat. De rechtbank is van oordeel dat niet ieder fout, hoe klein ook, moet leiden tot onverbindendheid. In dit geval kon bij belanghebbende, ondanks de fout, geen enkele twijfel bestaan over het belastbaar feit en de tariefstelling die op haar van toepassing waren. Gelet hierop is een wettelijke basis voor heffing aanwezig. Naar aanleiding van het subsidiaire standpunt van belanghebbende oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een onredelijke en willekeurige heffing. Gemeenten hebben bij het vaststellen van hun legestarieven een zeer grote vrijheid. Tussen de heffing ter zake van een dienst in een individueel geval en de met die dienst gemoeide kosten hoeft geen verband te bestaan. Pas als op voorhand duidelijk is dat een verordening leidt tot een apert buitensporige heffing voor een bepaalde categorie bouwers, kan sprake zijn van een willekeurige en onredelijke heffing. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. De heffing heeft dus terecht en tot het juiste bedrag plaatsgevonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen