Rb. Breda 8 juli 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ3136

Voor zover het verzoek van partijen strekt tot verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap, is daarop toepasselijk het Marokkaans recht aangezien partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de Marokkaanse nationaliteit bezaten. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het Marokkaans recht geen huwelijksgoederengemeenschap kent zodat het verzoek tot verdeling dient te worden afgewezen. Niet valt in te zien dat – zoals de man stelt – op grond van de redelijkheid en billijkheid het bestaan van een gemeenschap van goederen zou kunnen worden aangenomen. Voor zover de man op grond van de redelijkheid en billijkheid een verrekeningsplicht van de vrouw jegens de man aangewezen acht, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende redengevende argumenten aangevoerd. Weliswaar voert de man in dit verband aan dat hij al twintig jaar als kostwinner voor de vrouw en de kinderen heeft gezorgd en dat van dit inkomen alle kosten werden betaald en voorts dat hij kredieten uitsluitend op zijn naam is aangegaan in het kader van gezins¬hereniging. Deze omstandigheden zijn echter niet zodanig uitzonderlijk dat deze een afwijking rechtvaardigen op het uitgangspunt van afwezigheid van elke huwelijks¬gemeenschap. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat er schulden op beider naam staan en dat de vrouw onbetwist heeft aangevoerd dat de schulden in 2001 zijn aangegaan zodat van de man had mogen worden verwacht dat hij de sindsdien verstreken tijd had aangewend om de schulden af te lossen. Overigens hebben partijen ten aanzien van de inboedel aangegeven dat er geen verdeling meer nodig is nu de inboedel reeds genoegzaam tussen partijen is verdeeld. Voorts hebben zij aangegeven dat ieder de op zijn/haar naam gestelde bankrekening behoudt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen