Rb. Breda 6 mei 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BI4588

Belanghebbende is als bestuurder aansprakelijk gesteld voor een onbetaald gelaten boete begrepen in een naheffingsaanslag loonheffingen, die is opgelegd aan de vennootschap. De rechtbank is van oordeel dat het belopen van de boete aan belanghebbende is te wijten, als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Invorderingswet 1990. Het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40 369 treft echter doel. De ontvanger heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van opzet bij de vennootschap zelf. Nu voorts niet is gesteld of gebleken dat de vennootschap niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kon worden gevergd bij de keuze van het administratiekantoor, is de boete ten onrechte aan de vennootschap opgelegd. Gevolg daarvan is dat belanghebbende ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor de boete.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen